Geschiedenis van Aruba
De geschiedenis van Aruba begint met de bewoning van de Caquetios indianen, een
stam van de Arowakken, vanuit Venezuela, om te ontkomen aan aanvallen door de
Cariben. Resten van de vroegste bewoning op Aruba dateren van ongeveer 1000.
Door de afgelegen ligging ten opzichte van andere Caribische eilanden en de
sterke stroming, bleven de Caquetios meer gebonden aan Zuid-Amerika dan aan de
Caraïben.
Aan het eind van de 15e eeuw werd het gebied bezocht door Spaanse
ontdekkingsreizigers. Aangenomen wordt dat Alonso de Ojeda het eiland als eerste
bezocht in 1499. Hoewel hij een kolonie stichtte, was deze beperkt in opzet. In
tegenstelling tot op veel andere Caribische eilanden ontstond er geen
plantagecultuur op Aruba. De Spanjaarden stuurden veel Caquetios naar Hispaniola
waar ze als slaven te werk werden gesteld in de mijnen.
In 1636 werd Aruba overgenomen door de Nederlanders en bleef onder Nederlands
gezag tot op heden, afgezien van een periode tussen 1805 en 1816 toen de Britten
het gezag overnamen tijdens de napoleontische oorlogen.
In 1824 werd bij Bushiribana goud gevonden. De hierop volgende goudkoorts werd
gevolgd door welvaart die gebracht werd door de komst van een olieterminal voor
de overslag van ruw olie in 1924 en in 1928 de opening van een olieraffinaderij.
Dit was de Lago Oil & Transport Co. Ltd., een dochteronderneming van Standard
Oil of New Jersey. De Lago-raffinaderij bevond zich aan de oostzijde van het
eiland, terwijl Royal Dutch Shell de Eagle Refinery aan de westzijde, die kort
na de Tweede Wereldoorlog werd gesloten.
De laatste decennia van de 20e eeuw zagen een enorme toename van de
toeristenindustrie, wat de belangrijkste economische pijler werd toen de
olieraffinaderij in 1985 tijdelijk werd gesloten. Door het toerisme is er een
lage werkloosheid op Aruba.
Op 1 januari 1986 scheidde Aruba zich af van de overige Nederlandse Antillen en
werd een autonoom land binnen het Koninkrijk der Nederlanden (status aparte).
Bron: Wikipedia.org
